Mijn jeugd in Haarlem
Dit keer schrijf ik iets over mijn jeugd. Ik werd anderhalf jaar voor het einde van de oorlog geboren in Haarlem-Noord. Van de eerste jaren herinner ik me niet veel. Mijn ouders hadden een groente- en fruitzaak. Mijn vader reed naar de markt om zijn inkopen te doen met een paard en wagen. Ik weet dat op een zondag toen we uit rijden zouden gaan met een tweewielige open wagen (een dresseerkar). Het paard stond al ingespannen en ik wilde het paard aaien. Maar dat paard beet me in mijn schouder. Die herinnering is mij bijgebleven.
Op mijn 4-jarige leeftijd verhuisden we naar een winkelpand dichter bij het centrum aan het Stuyvesantplein. Ik ging met mijn jongere broertje eerst naar de kleuterschool en daarna naar de lagere school St. Petrus Canisius naast de St. Liduinakerk aan de Rijksstraatweg. Het was een RK jongensschool met strenge meesters en een paar wat minder strenge juffrouwen. Ik weet nog wel dat het aantal keren dat je doordeweeks naar de kerk ging werd geteld en genoteerd op je rapport. Je meester zat in de kerk in banken die voor jouw klas bestemd waren en noteerde wie er waren. Voor de les begon werd voorgelezen wie er die morgen in de kerk waren geweest. Wij waren van huis uit niet zo kerks dus op mijn paasrapport stond bijvoorbeeld 5 op 67 keer. Hieronder een foto van het doen van de Heilige Communie.
De vijftiger jaren waren een moeilijke tijd voor de mensen. In 1951 en 1957 waren er bestedingsbeperkingen en dat betekende dat de economische restricties verder werden aangehaald. De maatschappij was strak georganiseerd en het gezag van de overheid en het eigen kerkgenootschap was onaangetast. De pastoor zette mensen aan om meer kinderen te krijgen. Vooral in Brabant had je grote gezinnen van meer dan tien kinderen.
Er was in die jaren ook veel woningnood. Er werden sobere huizen gebouwd met kleine ramen of lelijke flats met een trappenhuis zonder lift.
Er was veel armoede, mensen waren spaarzaam en er was niet zoveel te koop. Je erfde de kleren van je broer en eventueel werden de kleren hersteld. Mijn moeder naaide ook zelf kleren en breide sokken en borstrokken (dik hemdje). De was werd in een tobbe gedaan met een wasbord. En de was werd gedroogd aan een rekje rond de kolenkachel.
Mijn broer en ik timmerden een hok voor onze konijnen of we hielpen mee met het maken van een loopren voor de kippen. Mijn konijnen gingen met Kerst in de pan, maar ik at er niet van. Wij deden aan figuurzagen, waarbij dat dunne zaagje steeds brak, wat een ramp was dat.
Honderdduizenden mensen emigreerden naar Zuid-Afrika of Canada. Een vriend van mijn vader emigreerde met zijn gezin naar Zuid-Afrika. Mijn vader wilde toen ook emigreren. Hij stuurde vrijwel wekelijks brieven met uit de krant geknipte artikelen per luchtpost naar die vriend en kreeg van hem hun wedervaren te horen. Het was niet allemaal rozengeur en maneschijn en wij zijn dan ook niet gegaan.
Wij speelden altijd op straat en dat kon ook daar er nog vrijwel geen auto’s waren. In de straat stond ’s avonds slechts een auto geparkeerd van een vertegenwoordiger van Stokvis. Met voetballen moesten we alleen op de bus letten en soms met ware doodsverwachting probeerden we de bal nog te redden voordat de bus over onze bal reed. Verder speelden we blikkie trap (een soort verstoppertje), overlopertje (tikkertje), honkbal, tollen, knikkeren en vliegeren. Het ging niet altijd goed. Ik sloeg met honkbal de ruit op de bovenverdieping van ons huis kapot. Mijn ouders waren niet blij met me. Met overlopertje ging een buurjongen door de grote winkelruit van zijn vaders zaak. Niet de hele ruit werd vervangen, maar er kwam een spijl in.
Mijn broer had een prachtige zeepkist gemaakt. Ik mocht dan sturen en hij liep erachter om te duwen. Oh wee, als ik de bocht op die smalle stoep rond het pleintje niet kon halen en tegen het hekje van het plantsoen aanreed.
De Koude Oorlog was al in 1949 uitgebroken. Na de inval van de Russen in Hongarije in 1956 ging mijn moeder hamsteren, omdat mijn ouders bang waren dat er weer een oorlog zou uitbreken. Mijn moeder maakte een plek vrij op zolder voor blikjes voedsel, melk, e.d.
In 1953 waren we bij een hevige storm allemaal uit bed gekomen en zaten om 3 uur ’s nachts voor het raam naar buiten te kijken. De volgende morgen hoorden we van de watersnoodramp waarbij de dijken in Zeeland, de Zuid-Hollandse eilanden en Westelijk Brabant waren doorgebroken. Mijn vader heeft toen onder andere een aardappelschrapmachine gegeven aan die getroffen mensen.
Mijn vader luisterde op zondag naar de radio, want een televisie was er nog niet, waarop het praatje van G.B.J. Hiltermann of het commentaar bij een voetbalwedstijd kwam. Wij moesten dan ons mond houden.
Mijn ouders gingen jaarlijks drie dagen op vakantie. Wij werden dan uit logeren gestuurd naar een adres op de Veluwe. Mijn broer en ik kwamen daar dan meerdere jongens tegen en we sliepen met zijn zessen of achten in een schuur op stroo. Het enige dat we daar deden waren looptochten en een soort nachtelijke zoektocht in het bos.
Mijn vader liet van een Amerikaanse Ford of van een Hewlet Packerd met schade aan de achterkant de carrosserie horizontaal en verticaal doorzagen en daar werd een houten bak op gemonteerd. Dat was de auto om groente en fruit te halen van de markt in Haarlem of van veilingen in Beverwijk en elders en om bestellingen rond te brengen. Wij aten tussen de middag warm met het hele personeel van twee of drie winkelmeisjes, een knecht plus een meisje voor het huishouden, die ook kookte.
In de jaren vijftig ging ik naar de HBS, het Mendelcollege. Het was een katholieke jongensschool met naast vele andere leraren acht Augustijnenpaters waaronder de rector, uitstekende leraren allemaal. Toen ik op die school kwam waren er 420 leerlingen en toen ik eraf ging was dat aantal gegroeid tot 625 leerlingen. En later toen ik na mijn kandidaatsexamen gevraagd werd om scheikunde te geven, omdat ze te weinig docenten in dat vak hadden, waren er 1100 leerlingen (zowel jongens als meisjes). De school was toen uitgebreid met vele noodlokalen.
Ik ging in de eerste klas cum laude over en de school stelde voor dat ik naar het gymnasium van het Triniteitslyceum in het centrum van Haarlem zou gaan. Ik deed dat niet omdat ik het op het Mendel zo naar mijn zin had. Later heeft me dat gespeten omdat de gymopleiding beter bij mijn interessesfeer paste.
Ik speelde voetbal bij FC Haarlem met de jongens uit mijn buurt. Op een keer kwam de rector bij ons thuis en zei tegen mijn ouders dat ik beter bij een katholieke vereniging moest gaan voetballen. Ik ben toen naar voetbalvereniging Renova gegaan aan de andere kant van Haarlem, waar ik niemand kende. Het jaar daarop ben ik ervan afgegaan en ben gaan basketballen bij een algemene vereniging (een katholieke club was er gelukkig niet).
In die tijd ging ik al naar klassieke (naast jazz) concerten in het concertgebouw en naar toneelvoorstellingen in de stadsschouwburg.
Ik bewaar goede herinneringen aan mijn jeugd in Haarlem. Haarlem is voor mij nog altijd een heerlijke en mooie stad.
Reactie plaatsen
Reacties
interessant levensverhaal